Blog

Goed spreken en goed doen

Iedereen begrijpt dat onze woorden en daden niet te ver uiteen ­moeten lopen. Dat is een kwestie van ‘integriteit’ (letterlijk: heelheid). Politici worden er voortdurend op afgerekend, maar het geldt voor ons allemaal. Als er constant een kloof gaapt tussen wat je zegt en wat je doet, ben je niet geloofwaardig.

Hij was eigenlijk bestemd voor de dikokanie ofzo...

Illustratie: Gijs ter Beek

Wanneer we bezig zijn met zending, is dat niet anders. Als mensen me soms vragen wat nu de kern is van ‘zending’, zeg ik altijd: ‘Lees eens een evangelie helemaal door’. Ik vind het namelijk heel moeilijk om die vraag te beantwoorden. Als je bijvoorbeeld het evangelie naar Matteüs leest, zie je dat Jezus daar het goede nieuws brengt met zijn hele wezen: hij verkondigt, hij geneest, werpt demonen uit, zoekt de armen en gevangenen op, spreekt de golven en bomen toe, hij bidt in de stilte en leert zijn leerlingen bidden, hij geeft hun hoop op Gods beloften. Als christenen weten we dat het evangelie ten diepste Jezus zelf is. Maar dan niet Jezus als een formule, een handzaam pakketje van uitspraken. Nee, Jezus zoals hij Gods liefde en recht uitsprak en uitbeeldde, van het begin tot het eind van zijn leven op aarde.

Jezus’ optreden op aarde geeft, denk ik, aan wat de reikwijdte is van de zending van Gods volk op aarde. Het heil van God kun je niet opsluiten in één dimensie. Vaak wordt de uitspraak geciteerd van Fransiscus van Assisi: ‘Verkondig het evangelie, desnoods met woorden.’ In sommige situaties is die uitspraak heel erg waar. Maar meestal zegt hij te weinig. Jezus deed méér dan goed doen; hij sprak ronduit tot wie het horen wilde (en soms ook tot wie het niet horen wilde). Maar er zijn ook christenen die van de weeromstuit – uit angst voor vrijzinnigheid – zo sterk hameren op woorden en preken, dat ze vergeten dat Jezus simpelweg kinderen op schoot nam, een eenzame vrouw bij een bron zag staan, woedend en ontroerd was bij het graf van zijn vriend, en verlamden genas. Het woord ‘zending’ gaat over ‘gezonden zijn’. Nu, waarvoor was Jezus gezonden? Waarom is hij gekomen? Er zijn drie teksten waarin Jezus een zin begint met de woorden ‘Ik ben gekomen om…’. Die teksten geven als het ware de spanwijdte aan van Gods zending op aarde, in Jezus:
  1. ‘Ik ben gekomen om te redden’ (Luk. 5:32; Joh. 12:47, enz.),
  2. ‘Ik ben gekomen om te dienen’ (Mark. 10:45), en
  3. ‘Ik ben gekomen om leven te geven in overvloed’ (Joh. 10:10). Zijn hele leven op aarde was een demonstratie van die missie. Volgens mij zijn het drie uitspraken die ook voor Gods volk op aarde een geweldige agenda vormen: redden, dienen en leven geven. Wat mij betreft staan ze als motto boven elke agenda van de kerkenraadsvergadering!
Naast de reikwijdte van zending, is het ook belangrijk om te onderstrepen wat de kern is van zending. Als de apostelen na de hemelvaart uitzwermen over de wereld, vertellen ze een eenvoudige boodschap: God heeft in Jezus een geweldig werk gedaan. Dit zou je ‘evangelisatie’ kunnen noemen: goed nieuws vertellen. In de theologie wordt hier soms gesproken over het evangelie dat Jezus leefde en het evangelie dat de apostelen vertelden. Jezus demonstreerde de volle breedte van Gods heil. En de apostelen vertelden over Jezus: ‘Geloof in hem en je zult gered worden’. Dat is niet in tegenspraak met elkaar, want opnieuw: geloven in Jezus is niet geloven in een paar veilige formules. Het is geloven in iemand die Gods werk op aarde bracht als een ‘explosie van vreugde’ (aldus Lesslie Newbigin). Lees bijvoorbeeld Handelingen 2:43-47 en Romeinen 12:9-21 en zie hoe de eerste christenen de praktische consequenties trokken uit hun geloof in Jezus. Ik noteer er als aandachtspunt bij dat je in Handelingen en in de brieven minder nadruk vindt op de ‘spectaculaire’ zaken, zoals genezingen en het uitdrijven van demonen. Die kwamen voor, zeker, veel vaker dan wij comfortabel vinden. Maar in het ‘gewone’ leven van de christenen lag de nadruk veel meer op wat wij ‘diaconale’ ­zaken zouden noemen: gastvrijheid (misschien wel de belangrijkste christelijke deugd!), gulheid, liefde voor elkaar en ook voor vijanden, eerlijke en eenvoudige taal, goed doen aan elkaar en aan alle mensen. In onze tijd, waarin veel christenen hunkeren naar bijzondere tekenen en krachten, lijkt het me goed om dit te zeggen: laat het verlangen naar het grootse nooit ten koste gaan van het goede.
Conclusie
Ik concludeer: zending heeft een reikwijdte die wordt bepaald door de reikwijdte van Jezus’ werk op aarde. Wij noemen dat voor het gemak ‘evangelisatie en diaconaat’. Maar dat zijn slechts termen; ze barsten uit hun voegen als je er alles probeert in te stoppen wie Jezus was en wat hij deed. Vervolgens heeft zending een kern: Gods goede nieuws is geopenbaard in Jezus, en getuigen van hem is het beste wat we kunnen doen. Maar als je je richt op die kern, kom je de hele breedte van zending vanzelf weer tegen.
De reikwijdte van zending is in onze tijd bijvoorbeeld mooi omschreven door de Anglicaanse kerk in haar ‘vijf kenmerken van wereldwijde zending’:
  1. verkondiging,
  2. vormen tot discipelen,
  3. barmhartigheid,
  4. zoeken naar gerechtigheid, en
  5. zorg voor de schepping.
Het is niet moeilijk te zien dat deze vijf zaken elkaar nodig hebben.
Zeker in onze tijd is het bijvoorbeeld volstrekt ongeloofwaardig als christenen vertellen dat er dankzij Jezus hoop is voor de schepping en tegelijk in hun levensstijl niets laten zien van respect voor Gods wereld. Maar als we een voedselbank beginnen en nooit vertellen waarom we denken dat barmhartigheid en gerechtigheid belangrijk zijn, wie ons dat heeft geleerd en waarom we geloven dat dit hoopvol werk is, zeggen we te weinig. Hoe dan ook, volgens mij kunnen deze vijf kenmerken van zending ons allemaal helpen om richting te geven aan ons kerkelijk leven.
Veel christenen maken zich er druk over wat dan precies de verhouding is tussen deze vijf kenmerken. Lopen we niet gemakkelijk het risico dat we goed doen aan onze naasten in de hoop dat we hen kunnen vertellen over het evangelie? Met andere woorden: gebruiken we ‘diaconaat’ niet als een trucje? Of lopen we niet het risico dat we blijven steken in goed doen, zonder ooit tot spreken te komen? Zouden we niet altijd moeten beginnen met evangeliseren, voordat we andere dingen doen?
Laat ik er dit van zeggen: ik geloof dat alle vijf kenmerken in zichzelf goed en waardevol zijn en tegelijk dat geen van deze kenmerken op zichzelf staat. Op verschillende manieren laten ze allemaal iets zien van het heil van God in Jezus, maar geen van hen kan het hele heil laten zien. Als het in de gegeven situatie niet lukt om meer te doen dan acute nood verhelpen, dan is dat in zichzelf goed. Net zoals het goed is om je kinderen te verzorgen, zelfs als je weet dat ze je geloof niet willen delen. Op dat moment is dienen en zorgen de enige manier om te getuigen van wat God heeft gedaan in Jezus. Maar tegelijk geloof ik dat we steeds moeten proberen de cirkel te sluiten, dat wil zeggen: op zoek moeten naar gelegenheden om goede woorden te spreken. We hoeven niet altijd te beginnen met evangeliseren (Jezus deed dat ook niet). We mogen gerust beginnen bij de nood die we zien, zolang evangelisatie maar een deel is van onze benadering. Alleen als verkondigd wordt dat het koninkrijk nabij is, kunnen mensen het binnengaan. Alleen als verkondigd wordt dat de Koning van dit rijk voor ons gestorven is, kunnen we hem verheerlijken voor zijn barmhartigheid (Rom. 15:9). De motivatie mag zijn om met heel ons leven zó te leven, dat mensen iets van deze God en van zijn missie in deze wereld zien.
———-
Tekst: Stefan Paas

 

This Post Has 0 Comments

Leave A Reply






vijf × = 35